We waren samen op het strand.
De oranjerode schemering was prachtig. We bevonden ons onder de avondkoepel in de baai. De zee was een binnenruimte, omhelsd door het land. Het zandstrand was breed. De vloedlijn was onder invloed van het tij een eblijn geworden. Daardoor leek alles groot en ver weg. We liepen over de grote, vochtige zandvlakte.
Ik kreeg een vage herinnering aan hoe zandstranden in de zomer er in mijn tijd uitzagen met massatoerisme dat nu nog niet bestond. Heel in de verte waren een paar wandelaars te zien die na enige tijd een weggetje tussen een paar bomen aan de kust namen. En daar waren we in de grote wereld weer helemaal alleen. Het water was rustig. De eb was net over het hoogtepunt of beter gezegd dieptepunt heen. Het water begon langzaam terug te komen. Er was een milde branding. De vogels leken al op zoek te gaan naar hun slaapplekken.
Het water voelde lauw aan de voeten door alle warmte van de dag die het had opgenomen. Ik liep aan de hand van Claude, die naast mij liep en keek en mij soms met twee handen omdraaide. Naar zich toe maar mij alle ruimte liet wat ik daarmee zou doen. Hem aanraken en kussen? Of in de ogen kijken? Of iets anders?
Ik vond dat bijzonder bij de man die ik vandaag had leren kennen. Iemand die zijn passie weliswaar kan terugnemen en inhouden maar deze in werkelijkheid heel sterk bezit, wat hem tot een fijne minnaar maakt. Ik kon het niet helpen maar moest aan zijn muziek denken. Passie en kracht, en tegelijk het temmen, doseren, loslaten, vertragen, versnellen..
We staan met onze voeten in het water, in de streling van de zacht opkomende nog lauwe avondwind. Ik zie zijn gezicht tegen de achtergrond van de zee, in een symfonie van land en zee en dit tussengebied. Daarin hij en ik met ons eigen onzichtbaar vibrerend tussengebied. En stromend water en het geluid van de branding om ons heen. Ik ben nog helemaal in de intimiteit van vandaag. Ik voel hem nog in mij. Het is nu niet meer fysiek. Maar waar is dat dan, is dat dan in je ziel? Of iets ertussen in. Het is als het stromende water. Het was is warm, net als buiten. Straks zou het buiten fris worden. Het kabbelt en speelt nog als een kind dat zandtaartjes bakt en niet naar binnen geroepen wil worden, nog niet naar huis. We zijn zelf spelende kinderen geweest. Maar ook ernstig en krachtig in ons liefdesspel. Het grote spel van man en vrouw.
‘Kom mee!’ hoor ik mezelf ineens roepen, ‘Claude! We gaan erin! We gaan zwemmen. Kom je?’
Terwijl ik het zei had ik al mijn kleren uitgedaan en ze op een hoopje vlakbij de branding gegooid. Ik was er niet helemaal zeker van of ik ze straks nog wel zou terugvinden maar het kon me niet schelen. Desnoods zou ik zijn corduroy jasje lenen dat mij veel te groot was, maar me daardoor voldoende zou bedekken. Als dat jasje er dan nog zou zijn tenminste.
Maar waarom kijkt hij zo beteuterd? Ik zie dat hij aarzelt en is blijven staan. Even denk ik dat het is omdat ik zo, in een oogwenk zonder kleren aan bij de zee sta in de avondhemel. Dat ik hem misschien verlegen heb gemaakt. Maar zo kijkt hij niet. Hij kijkt een beetje hulpeloos en haast verontschuldigend.
Ineens begrijp ik het. Dat ik daar niet op was gekomen!
’Oh, Claude. Ik breng jou in verlegenheid. Ik ben ook zo impulsief! Vergeef me. Je kunt, je kunt niet zwemmen?’
En hij lacht opgelucht. Het wordt zijn luide lach. Die komt als hij ergens van bevrijd wordt. Die ken ik inmiddels.
’Ja!’ roept hij, ‘Is dit niet te zot voor woorden? Stel je voor! Hier zijn wij. Aan zee in dit magnifieke uur. Jij bent klaar in zee te gaan en gekleed als een godin. En ik.. ik kan niet zwemmen! Ik heb het nooit geleerd.’
‘Ik wil het je leren,’ zeg ik. ‘Als jij het tenminste wilt leren.’
’Natuurlijk wil ik het graag leren. En natuurlijk van jou. Wanneer beginnen we?’
‘Claude, niet nu,’ zeg ik, ‘Vanavond voorzichtig. Ik wil het jou niet in de zee leren hoewel me dat ergens ook geweldig lijkt. Maar ik wil het je op veilige manier aanleren. En dan pas gaan we samen de zee in.’
‘Hoe heb jij het dan geleerd?’ vraagt hij.
En pats! Een herinnering. Schoólzwemmen. Erheen op de fiets, diploma, afzwemmen, trotse ouders, op de achterbank van de auto ijsje likken met natte haren. Niet uitwisselbaar met Claude, jammer.
‘O, vroeger, als kind al!’
‘Waar heb je het geleerd, en van wie?’
Nu moet ik er nog meer omheen draaien. Allemaal omdat ik mijn steeds helder wordende tijdgeheim nog niet met hem gedeeld heb. En nu is niet het moment daarvoor.
‘Van mijn vader. Die kon het heel goed.’ zeg ik terwijl de wroeging meteen aan me begint te knagen.
‘Vertel me over je vader.’
Dat kan ik! Ik geef hem een echte, een heel dierbare herinnering, die ook bereidwillig tevoorschijn komt, als zoenoffer:
‘Mijn vader zwom op vakanties graag in zee. In Zuid-Frankrijk. Ik weet niet precies waar. Ik kan me herinneren dat ik nog niet kon zwemmen. Hij hield me in zijn armen had en droeg me een eindje het water in. Ik zal hooguit vier zijn geweest. Ik herinner me zijn armen, het gevoel van veiligheid en..zijn liefde.’ ‘Och, wat mooi, Marie-Rose. Als je het vertelt zie ik dat, jouw en waarschijnlijk zijn liefde.’
‘Maar wat doen we nu? Kom je een klein stukje mee?’
’Weet je? We fantaseren. Marie-Rose, je bent het ene moment kind en wordt nog door je vader gedragen. Het volgende moment ben je als een nimf. Je bent waterwezen en je komt aan land. Ik kijk naar je en ineens herken ik je. Ik ben verheugd! Uit het water komt Marie-Rose gelopen!’
Ik ga voor de bijl.
‘Echt helemaal kopje onder?’ marchandeer ik nog, voor de vorm.’ Het zal een frisse duik worden.’
‘Als ik kon zwemmen zou ik meegaan. Maar je hebt het verboden. Daarom jij. Ik wrijf je droog. Met eh…’ Hij kijkt om zich heen, alsof hij badlakens zoekt die er natuurlijk niet zijn.
’Je vindt wel wat om jouw nimf mee af te drogen’ zeg ik en neem de aanloop.
En hoewel het me enige overwinning kostte in de koele avond, rende ik het water in. Ik haalde diep adem en dook onder. Ik voelde hoe mijn haren eerst boven me bleven drijven en draaide me op de rug. Ik draaide een paar keer om en om als een vis en kwam boven. Ik zwom weer naar het strand. Toen ik weer de grond onder me voelde liep ik uit het water op hem toe. Heel langzaam nu. Ik werd me er ineens van bewust dat ik voor hem iets mythisch tot leven mocht wekken. Ik voelde me nederig worden omdat ik het hem mocht schenken: het oeroude godinnenbeeld van de vrouw die uit het water opstijgt en aan land komt.
Uiterlijk bleef hij er rustig onder. Maar ik voelde dat dit maar buitenkant was en dat het hem intens raakte. Mogelijk wond het hem op. Ik was net zo opgewonden als hij maar liet dit niet merken. We doen hetzelfde! realiseerde ik mij ineens.
Moet dit zo zijn? vroeg een andere Marie-Rose in mij zich af. Het antwoord kwam direct, zeker en geruststellend. Ja, dit moet echt zo zijn.
Juist doordat hij zo rustig bleef staan en het beeld in zich opnam voelde ik dat ik hem weer op een nieuwe manier veroverd had. Nee, verbeterde ik mezelf, dit is niet mijn verovering. Dit gaat boven ons uit.
Ik liep druipnat het water uit, naar hem toe en sloeg mijn armen om hem Hij keek mij aan met een blik waarin de eeuwige mythe van daarnet nog naspiegelde, en waarin een hele zee leek te ruisen. Het was weer de wijde blik die ik van hem kende en die wijd bleef ook nu hij me recht in de ogen keek terwijl hij me vasthield. Ik sloot mijn ogen. Het verlangen kwam en ik gaf mij over aan hem, aan de avond, de zee en aan zijn blik die ik niet meer kon zien en alleen nog voelde. Hij streek heel licht met een gevoelige hand over mijn wang. Ik voelde de neiging hem te kussen, misschien hij ook, maar nu deden we dit niet.
Je kunt al zó intiem met iemand zijn geweest en toch weer verlegen zijn als in het begin. Omdat er ineens iets bij komt, lijkt het.
‘Nu moet ik natuurlijk zeggen, dat ik dit normaal niet doe!’, hakkelde ik, in een vergeefse poging de spanning wat te breken. En de godin, ach, de godin..
Hij giechelde. Gelukkig. Daar was zijn humor weer.
‘Ja. Dat moet jij natuurlijk. Maar ik hoor het jou niet zeggen,’ zei hij.
’N..nee.’
‘Marie-Rose, maar dat hoeft niet te betekenen dat je dit normaal wèl doet.’ zei hij teder.
‘Nee. Wat bedoel je eigenlijk?’
‘Je doet het nu juist wel.’
Wat precies, Claude?’
‘Naakt uit het water komen en je armen om me heen slaan.’
‘Oh dat. Claude, ik vind het ontzettend spannend.’
‘Ik ook. Mag ik straks mijn jasje om je heen doen?’
‘Het mag ook nu. Ik begin het koud te krijgen. Kleden vrouwen zich vaak buiten uit voor je?’
‘Nee,’ zei hij. ‘En zeker niet buiten aan het strand. Volgens mij màg het niet eens.’
‘Ik zie geen gendarmes,’ zei ik.
‘Ik ook niet,’ zei hij, ‘nou, dan mag het nu dus wel. Maar ik wil niet dat je het koud krijgt.’
Om te beginnen zoende hij me. Het was ontzettend erotisch, ik naakt in zijn armen, zijn lippen op de mijne, of aan, of in, of hoe dan ook precies. Dat vervaagde. Hij was gewoon gekleed maar de warmte van zijn lichaam zinderde door alle lagen heen. Daarna legde hij zijn corduroy jasje om me heen. Mijn lichaam begreep wat mijn verstand niet begreep. Het woord overschaduwen kwam binnen. Zijn jasje werd de mantel van een koning. Ik geloof dat er water uit mijn haren op het corduroy, drupte, het fluweel van de koning, realiseerde ik me ineens maar er zullen ook mijn tranen bij geweest zijn. Daarna liepen we over het brede strand. Ik ging gehuld in de mantel en vergat dat die kort en ik naakt was. We stonden af en toe hand in hand en keken naar de gezichtseinder en de nachthemel die de zee aanraakte.
We werden langzaam minder mythisch en meer praktisch. Op de een of andere manier waren we op een ander stuk van het strand dan eerst. Was er zijdelingse stroming geweest in de zee? Ik zocht naar mijn kleren en zag ze eerst niet. Ze zijn weg! Maar toen zag ik ze een eindje verderop weg van de richting van de nagloed van de zonsondergang toch liggen, in een de donkerblauw geworden wereld, bij elkaar op hetzelfde hoopje. Zelfs onze strooien hoeden waren niet weggewaaid en lagen er, een beetje verderop en wat zanderig geworden. We liepen erheen en ik begon me aan te kleden.
Op de een of andere manier voelde dit veel naakter dan daarnet. Ik was ineens verlegen en draaide een beetje van hem weg. En dat terwijl we in het middaguur met elkaar gevreeën hadden! Wonderlijk.. Hij scheen het ook te merken en gaf me discretie door net iets te nadrukkelijk en gekunsteld naar de zee te kijken, terwijl hij zijn jasje in zijn handen vasthield alsof hij me als nodig tegen indiscrete blikken zou beschermen. Er was echter nog steeds niemand aan het strand. We waren met z'n tweeën in de dieper wordende avondhemel en de branding. De sterren begonnen één voor één zichtbaar te worden. We liepen terug richting het vasteland. We zwegen een hele tijd.
‘Mag ik je morgen met iets verrassen?’vroeg hij plotseling, ‘Ik heb een plan. Ik zal je formeel vragen. Mademoiselle Duchamps, heeft u nog plek in uw balboekje?’
’Oh, wat hoor ik daar? Voor u wel, monsieur! Een verrassing, wat leuk! Tenminste, dat hoop ik.’
‘Ik denk van wel, mademoiselle. Ik slaap vannacht nog in het hotel. Marie-Rose, en nu neem ik risico. Even heel onromantisch alleen. Is dat goed? Ik moet heel eerlijk gezegd een beetje bijkomen. Ik zal dan op mijn rug wakker liggen en dan komen alle taferelen van vandaag bij me langs. De beelden zijn kostbare schatten. En middenin die wereld is telkens een zeker iemand, die straalt, geestig is en mooi en energiek, maar ook ernstig, verdrietig, nadenkend en niet zomaar alles kan zeggen. Maar wat ze wél zegt is uit haar hart.’
Deze man kijkt op een bepaalde manier door me heen, realiseerde ik me. En dat is goed.
‘Oh, Claude..’ zuchtte ik. ‘je bent..je bent onbeschrijflijk. Je bent echt een fijne man! Ik heb namelijk hetzelfde. Ik ben voldaan maar ook heel erg moe. Ik wil dadelijk slapen. Op mijn zij meestal. Ik slaap op mijn zij. Niet op mijn rug.’
‘Morgen komt dan een verrassing.’
‘Ik verheug me al op morgen.’
‘Ik ook,’ zei hij, ‘op weer een dag met jou.’
Bij de ingang van het hotel aangekomen kuste hij me nog eens lang en aandachtig.



