Hij kwam twintig minuten later terug. Hij was uiterlijk, maar ook innerlijk getransformeerd. Hij leek veel ontspannener.
Hij zag er geweldig uit.
Een beetje zoals gisteren op het dansfeest. Maar toen had hij een donkere broek aan gehad. Nu droeg hij er er één van ecru linnen. Hij had een paar gevlochten slippers in de hand. Hij droeg een los hemd van wit en lichtgrijs gestreept linnen met een open kraag. Zijn goudbruine corduroy jasje was kennelijk door de strandkeuring heen gekomen bestaande uit de kamenier, de kelner en hemzelf. Want hij droeg het los over de arm. Hij had een grote strooien hoed, groter dan die van gisteren op het dansfeest. Het leek ook of zijn haar anders zat, en zijn baard minder in de war en mooi. Zijn ogen stonden vrolijker. Hij had een houten pijp in zijn rechterhand en aan een wijsvinger bungelde speels een leren zakje met daarin waarschijnlijk pijptabak.
‘Claude, wat zie je er prachtig uit!’
‘Weet je,’ grinnikte hij, ‘ik geloof dat ze het echt leuk vonden om mij aan te kleden!’
‘Maar dat snap ik wel,’ zei ik.
Hij hoorde mij heel goed. Maar opmerkingen met dubbele bodem en flirterig karakter maakten deze man altijd verlegen. Hij deed dus alsof hij mij niet hoorde. Daardoor wist ik juist dat mijn onderliggende boodschap goed overgekomen was. In plaats daarvan bedankte hij de kelner voor zijn diensten en drukte hem een biljet in de hand.
‘Maar dat had echt niet gehoeven, hoor, monsieur Ferrier.
‘Hou toch maar.’
‘Dank u wel! En? Nu u helemaal op strand en zee gekleed bent, waar wilt u beiden het ontbijt gebruiken?’
‘Kan het daar op dat trapje?’ vroeg ik, ‘Of zitten we dan iedereen in de weg?’
‘Dat gaat prima.’ zei de kelner, ‘Het is nog erg vroeg. Veel gasten slapen nog. Ik breng het wel naar u toe!’
Hij ging weg om ons ontbijt te halen.
‘Goed gehoord?’ vroeg Claude, ‘Je plaagde me. Maar zo zeggen ze dat hier. Ik had het goed. Ze zeggen: waar wilt u het ontbijt gebruiken?’
‘Okay, Claude, punt voor jou.’
‘Wat betekent dat woord okay, Marie-Rose?’
‘Ken je dat niet? Het is Engels. Het betekent dat het goed is.’
‘Dus het is goed?’
‘Het is goed.’
‘Wat fijn,’ zuchtte Claude, ‘ja, dat vind ik ook. Heel erg goed zelfs, eh…. hoe was dat ook alweer in het Engels?
‘Okay.’
‘Oh-Qué.’
Het trapje had maar vier treden en leidde van het terras van het hotel direct naar het zandstrand. We zaten op de onderste trede naast elkaar en keken uit over het strand en de zee. We waren meteen zanderig. Af en toe kraakte er iets tussen de tanden als één van ons een hap van een stuk brood of een croissant nam. Het ontbijt stond enigszins wiebelig op een door ons geboetseerd zandbergje naast ons.
Hoe is stilte tussen twee mensen als je elkaar jaren kent en hoe is die als je elkaar net kent? We hadden al heel wat gesprekken en gesprekjes gehad in de ongeveer vijftien uur die onze ontmoeting nu duurde, de onderbrekingen daarbij meegerekend. Onze stilte leek op het ruisen van de zee om ons heen, alsof ze daarin opgenomen werd.
Het was voor mij een weldaad om in het gezelschap van deze man te verkeren. Hij nam met zijn grote ogen de omgeving in zich op, terwijl hij met zijn tenen door het zand woelde. Hij had zijn pijp gestopt. De geur van de zoete aromatische tabak waaide af en toe in een lichte vlaag mijn kant op en mengde zich met het frisse en zilte van de zeelucht.
Achteraf blijken we nog veel intensiever samen te zijn geweest dan we gedacht hadden. Dat blijkt de daaropvolgende dagen. Niet dat we het erover hebben maar de diepe band is ontstaan. We voelen dat haarfijn.
Het zal heet worden vandaag. Maar nog is de hitte niet gearriveerd. Er waait de lichte wind van het ochtenduur aan zee. Het strand is nog rustig. Het wordt gestreeld door het lage strijklicht dat ieder heuveltje zichtbaar maakt en over de ribbels aait die de wind in het fijne zand heeft gevormd. Er zijn nog nauwelijks badgasten. Maar de pleziervissers zijn al in de weer en maken hun kleine bootjes gereed. Ver weg langs de waterlijn huppelen en springen twee jongens in gestreepte badpakken met een bal die tussen hun voeten heen en weer danst en die ze soms uit het water halen wanneer die in zee terecht gekomen is. De zachte wind suist.
Achter ons is het getinkel van serviesgoed en de stemmen van de conversaties van hotelgasten die langzaam in aantal toenemen en het terras beginnen te bevolken. Boven alles uit, en tegelijk zo alomtegenwoordig dat je het elk moment kunt vergeten door die vanzelfsprekendheid van de zee ademt het voortdurende af en aan van de branding. Als een goedig moederdier dat leeft, geeft en neemt, met de aanzwellende golfslag water het land op stuwt en met de terugtrekkende zuiging die de golven weer terug opneemt in de schoot van haar grote bekken.
We zitten en kijken. Ik heb een sinaasappel. Ik deel die met Claude. Hij heeft een tros druiven. Hij stopt me de donkerpaarse druiven één voor één in mijn mond. Ik voel de druiven op mijn tong. Ik proef het zoete sap. Ik neig mijn hoofd naar achteren en sluit mijn ogen. De zon schijnt door mijn gesloten oogleden en tovert een diffuse oranjerode wereld. De geluiden blijven, samen met de zoutige geuren van de zee en vermengd met het vanille-achtige aroma van de rookslierten uit zijn pijp.
Ik doe mijn ogen weer open en zie hem kijken naar mij, ernstig maar ontspannen. Ik ben voor hem deel van de grote totaalindruk van deze ochtend aan zee. Zijn blik pendelt langzaam heen en weer over het tafereel van de ochtend aan zee, keert telkens weer naar mij terug en houdt dan in. En is dan zacht en warm.
Ik voel die herhalende aanraking door zijn blik, alsof hij me streelt. Het is ontzettend erotisch. Ik verwonder me erover. Hij kijkt helemaal niet naar mij met die blik die mannen kunnen hebben wanneer ze je in hun fantasie uitkleden. Ik voel me niet uitgekleed. Ik voel mij juist omkleed door zijn blik.
Ik zeg hem dit, bijna fluisterend voor zover dat gaat buiten aan zee, met al die geluiden.
Daarop krijg ik een zeer lange blik van hem terug die op mij rust en de tijd stilzet. Nu wordt het alsof niet hij kijkt maar zichzelf laat bekijken. Ik ga zijn grote wereld binnen waarin naast kracht zoveel kwetsbaarheid te vinden is, een peinzende gevoeligheid en daarnaast de scherpe observator die alles bestudeert. Ook mij. En daar sprankelt ook de zon alweer in kleine lichtjes die dansen net als wij samen dansten gisteren. Daarna ontstaat de sacrale stilte in de binnenruimte van het gedeelde mysterie, dat we allebei gezien worden en dit te beseffen. Ik voel me verlegen worden en diep nederig dat ik zo gezien word. Het is zo ontzettend onverdiend. Maar ik aanvaard het en beloof aan iets of iemand die groter is dan wij allemaal, of misschien is dat wie hij en ik eigenlijk zijn, dat ik aan mezelf wil werken en dat ik dit ooit waardig zal worden. Het overstijgt ons. Ik ga na een eeuwigheid op kousenvoeten zachtjes door de deur van de tempel weer naar buiten. De tijd komt weer op gang.
Hij zegt dat hij blij is dat ik er ben. En ook dat ik hem dat geheim gezegd heb. Dat van dat kleden.
Ondertussen raakt het strand meer bevolkt. Er worden strandstoelen geplaatst en er verschijnen familie met kinderen. We merken ineens dat de zon richting het zuiden en naar de zee is opgestegen en dat we veel langer in dit tafereel zijn gebleven dan we hadden gedacht.
‘Ik denk al wel een bijna een uur,’ meent hij. Hij raadpleegt zijn zakhorloge. We yijn heel verrast als het al anderhalf uur blijken te zijn.
‘Wat? Anderhalf uur, Claude?’
‘Dat moet wel. Het is nu half tien.’ zegt hij. ‘We zijn me een stelletje zwijgers met z’n tweeën!’
‘Ik heb dit niet als zwijgen ervaren.’ zeg ik, ‘Het is één van onze niet saaie gesprekken samen. Als een feest van zinnen en vederlicht. Alsof we elkaars zielen met gevoelige vingers mochten aanraken.’
‘Jij kan zo helder en gevoelig tegelijk benoemen, Marie-Rose. Mag ik je nog wat zeggen? Het is intiem.’
‘Toe maar Claude, ik kan daar nu wel tegen, geloof ik.’
Hij lacht even.
‘Misschien niet wat je denkt. Het is jouw geweldige actie van daarstraks. Voor mij is die uniek. En zeker van een vrouw. Wat ik je nu wil zeggen is een beetje de tegenhanger van wat jij daarnet tegen mij zei. Over blikken die uitkleden en blikken die aankleden. Zo was het toch? Bij mij gebeurde vanochtend iets vergelijkbaars. Maar tegelijkertijd totaal anders. Ik hoop dat je me begrijpt. Ik ben eraan gewend dat vrouwen mij juist in de zwarte jas en de hoge hoed hijsen en me dan willen als hun gentleman, een van de weinige woorden Engels die ik ken. Of ze willen me uitkleden maar dan willen ze niet mij. Dan is het de artiest die ze voor zichzelf willen hebben. En vaak word ik ook hun project. Dan willen ze me verbeteren. Wat ik eigenlijk helemaal niet ken is iemand die geen van al doet. Mij niet uitkleedt om mij of mijn kunst te willen hebben. Mij niet aankleedt volgens een burgerlijke conventie. Mij ook niet wil verbeteren en vormen naar hun eigen beeld. Mij eigenlijk niet wil bezitten, maar mij gewoon met iets helpt zodat ik hier nu echt met jou samen aan het strand zit, de wind in mijn haren voel, het zand aan mijn voeten, de zon en de zeelucht door het linnen heen op mijn huid. Jij hebt mij gekleed. Maar hoe je dat deed? Dat was uniek.’
Ik probeer te antwoorden, maar in plaats daarvan begin ik te huilen. Iets in wat hij zegt verplettert me. Omdat het waar is. En omdat ik er helemaal niets aan doen kan.
’Het was instinctief, Claude!’ stamel ik tenslotte, als ik de ontroering door zijn ontboezeming een beetje meester ben, ‘Maar het doet me ook zo'n plezier je te zien zoals je nu bent. Niet de meneer, of de kunstenaar, maar wel de man. En ergens ook de jongen die je geweest bent. Waarom hebben de andere vrouwen dat dan niet gedaan met je? Ik zou zeggen dat dat toch altijd ontroerend is voor iedere vrouw? Om ook de jongen in de man te zien waar je mee samen bent. Kijk toch naar die jongens daar! Hoe ze daar spelen bij de waterlijn! Zijn ze niet prachtig? Lieve Claude, ik vind ze zo prachtig! Hun kracht, hun behendigheid, hun plezier, hun energie, en vooral hun overgave.’
‘Marie-Rose, ik vraag het je nu gewoon maar. Nee, misschien vraag ik niet. Ik ga jou nu kussen. Nu op klaarlichte dag, op het trapje van het hotelterras. Marie-Rose?’
Toch nog een vraag! Door mijn naam te noemen. Ik geef hem geen antwoord met woorden maar draai mijn gezicht naar boven naar hem en sluit mijn ogen. Het wordt een lichte maar een zeer lange kus.
Veel en veel later. Voor hem waarschijnlijk jaren later. Voor mij een sprong door de windingen van de tijd naar de toekomst, blijkt hoe dichter dan dicht we daar bij elkaar zijn geweest in dit ochtenduur aan zee en het strand. Wanneer dit eindelijk voor mij ontwaakt en ik al mijn herinneringen aan hem erbij heb, blijkt dit één van de intiemste momenten die ik met hem heb gehad. En dat is verrassend.
Het fysiek tastbare van hem is puur licht. Ik voelde zijn vingers heel licht op mijn lippen toen hij mij de druiven in de mond stopte en dan de lichtheid van deze lange, lange kus. Met het geluid van de branding op de achtergrond, maar die is beslist geen coulisse of een decor. En dat gevoel zelf een bijzaak te zijn, terwijl het eigenlijke om ons heen reusachtig groot is.
Het ging niet zo om ons. Wij waren maar een klein onderdeeltje in het grote geheel van die betoverende zomerochtend eind juli 1901 daar op het strand. En tegelijk ging het helemaal om ons. De wereld houdt altijd haar adem in wanneer er uit liefde gekust wordt.
Ik heb vaak dat gevoel. Dat wij daar getrouwd zijn. Dat hij daar mijn man werd.



