Ergens in het plaatsje sloeg een torenklok het uur van middernacht. Claude was net weggegaan. Ik zag hem nog over het strand in het maanlicht lopen, met zijn bruine corduroy-jasje, zijn licht gebogen houding en zijn grote passen. Hij met zijn jasje en ik ook gekleed voor buiten want het begon fris te worden.
Denise was er nog niet. Ik zat nog even alleen met mijn herinneringen aan het afgelopen half uur.
Hij had daar tegenover me gezeten aan het tafeltje op het terras. Hij was natuurlijk eerder dan ik gekomen en had al infusion de verveine, verse verbenathee besteld in een grote aardewerkpot met twee kommetjes erbij. Er waren zoute vlinderkoekjes van bladerdeeg en een schaaltje olijven.
Ik was verschenen terwijl hij daar zat. Hij zag er niet naar uit dat hij mij gespannen had opgewacht. Het zag er bijna huiselijk uit. Hij zat in de rotan stoel met het servies en de schaaltjes op tafel, een windlicht flakkerend. Van de kant van het hotel drong het vage schijnsel door van een aantal gloeilampen in glazen bolarmaturen die af en toe flakkerden. Misschien door onregelmatigheden in de stroomgenerator.
Ik had mijn feestelijke jurk verwisseld voor een lang zwart kleed als een kaftan, van dunne wol en comfortabel in de avond. Het bood ook bescherming tegen de insecten. Het kleed was eenvoudig en van soepele stof. Daardoor tekende het wel alles van mij af. Ik merkte het pas toen ik was gaan zitten. Ik wist dat hij in het strijklicht dat ook allemaal kon zien. Ik voelde me niet verlegen onder de blik van hem maar ervoer eerder het klassieke verschil in uitstraling, de mijne sterk fysiek terwijl de zijne juist veel minder aan het fysieke gebonden was maar net zo sterk was. Misschien zelfs sterker, ergens ook teerder maar in elk geval anders. Het fijne was dat hier niet om gewedijverd hoefde te worden. We waren op onze manier allebei aanwezig.
We zitten in gesprek. Het valt me zó op dat deze man op geen enkele manier probeert mij te versieren of indruk op mij te maken. Ik zeg het hem.
‘Ja, maar ik ben nu eenmaal niet zo’n jager!’ zegt hij lachend, ‘Dus heb ik niet zo de neiging de wereld in te delen in jagers en prooidieren waar je achteraan gaat. Ik vind dat ook ongepast. En dus ben ik ook niet zo’n rokkenjager. Het beeld is me ook uiterst onsympathiek.’
‘Maar je bent ook geen eenzame kluizenaar schat ik zo in!’
‘Nee,’ geeft hij toe, ‘Ik ben ook geen kluizenaar.’
‘Maar je jaagt niet!’
‘Nee, ik ben waarschijnlijk meer een soort planteneter. Ik graas maar wat goedmoedig en verplaats me daarbij.’
‘Oh,’ zeg ik, ‘Maar je bent ook niet echt een stier hè?’
‘Huh, een stier?’’
’Planteneter.’
‘Oh ja. Dat zou je bijna vergeten. Nee, geen stier. Maar een koe? Dat is dan ook weer vreemd. Maar in die graashoek der schepping zit ik wel. De hoek van grazende dieren, voor mijn part geiten of schapen.’
‘Maak jij zo ook je muziek?’
‘Al grazend?’
‘Ja,’ zeg ik, ‘over een grasland gaande, en onder de bomen.’
Hij kijkt me ineens heel wakker en geïnteresseerd aan.
‘Maar daar zeg je me weer wat! Ja! Heel erg, Marie-Rose! Dat is echt een treffend beeld! Grasland en onder de bomen. Hoe kom je daar nou toch weer op? En ik moet je wat bekennen. Ik weet nooit precies waar dat grasland zich bevindt. Dat roep een enorm sterke emotie op en dan wilde ik dat ik daar was. Maar omdat het er niet is of ik daar niet ben gaat mijn verlangen erheen en zo ontstaat de klankwereld. Ik ben niet erg gelovig, dat wil zeggen ik ben totaal niet kerks, maar het is als in die psalm over grazige weiden waarheen je wordt geleid. Dus maak mij dan maar zo’n graasdier daar. Er moeten geloof ik wel graag ook bomen zijn.’
’Claude, maar dan zou een ideaal dier voor jou een giraffe zijn!’
Ons gesprek is ernstig maar plagen kan geen kwaad.En hij lacht weer, giechelend ditmaal en wijst op zichzelf.
‘Een giraffe! Maar daar heb ik geloof ik niet zo het postuur voor!’
‘Een olifant dan misschien? Nee, kijk nou niet beledigd! Olifanten zijn groot en kunnen óók overal bij. En ze zijn verschrikkelijk gevoelig en intelligent. Ik weet natuurlijk wel dat mensen qua postuur meestal niet graag met olifanten vergeleken willen worden. Terwijl het zulke edele dieren zijn.’
’Ja,’ zei hij ernstig, ‘ En ik heb er nog nooit één gezien en ken ze alleen van afbeeldingen en beschrijvingen. Doe mij dan maar de olifant. Maar je mag dit niet verder vertellen hoor! Vanwege het postuur. Ook niet dadelijk aan je vriendin Denise!’
’Ik beloof het je. Dit is dan ons eerste grote geheim.’
‘Ons tweede. Ons eerste was toen je me zag terwijl ik het podium op liep en ik jou. We waren samen zonder dat iemand het zag.’
‘Claude, je hebt gelijk. Dat is ons eerste geheim. Ons grote geheim. En het vond helemaal in het openbaar plaats!’
‘Dat zijn de beste geheimen.’ zegt hij, ‘Trouwens, er is er nòg een groot geheim. Een mysterie zelfs! Dat jij me vanmiddag de two step geleerd hebt!’
’Oh, ja. Da’s waar En alweer in het openbaar!’
‘Nou, zie je wel, Marie-Rose? We hebben nu al drie geheimen.’
We zwijgen even en zijn bezig met onze kopjes en met de zoute koekjes. Ik neem ondertussen innerlijk een aanloopje want er is nu moed nodig.
‘Claude,’ zeg ik, ‘nee, monsieur Ferrier. Vanwege het respect dat ik heb. Je weet dat ik soms de leiding neem. Bij het dansen vanmiddag was ik flink bazig, totdat je zelf zover was om te gaan leiden. En nu alweer doordat ik je had gezegd dat de rekening voor mij was vanavond. Je hebt daarmee ingestemd. Ik ben vaak zo. Maar ik laat het ook graag los. En nu ben jij volgens mij op een meesterlijke manier met me aan het flirten wat ik heel fijn vind. Ik kan me in mysterieuze wolken hullen maar dat ligt me niet zo. Ik doe het zelf ook. We doen het niet heel erg ostentatief en je bent ook totaal niet opdringerig. Maar er is wel wat. Tussen ons bedoel ik. Zeg me alsjeblieft of dat zo is. Is er wat?
Claude kijkt mij aan. Het is de combinatie van de verten-man met een enthousiast onderzoekend kind.
’Mais oui!’ antwoordt hij zonder aarzelen, ‘Bien sur, er is zeker wat! La dame touchée par le temps et le moment heeft mijn pad gekruist. En nu ben ik ook geraakt door haar tijd en haar moment. Dat is heel wat zou ik zeggen. Heel wat. En wat wil je nu dat ik doe?’
Ik aarzel. Heel even maar. Misschien alleen maar voor de vorm. Of omdat het echt heel heftig wordt. Hij ziet dat ik aarzel en zijn ogen worden heel groot en zacht. En ik smelt. En hij wacht.
En ik ben het dus die het zegt.
‘Ik wil dat je me kust.’
En ik laat mij door hem kussen.
Het was eigenlijk net als zijn handen die ik al had gevoeld vanmiddag. En vanavond had ik ze aan de vleugel gezien en eigenlijk ook gehoord. Gevoelig, warm, heel intens, krachtig, voorzichtig, gedoseerd en gepassioneerd. Misschien nog iets teveel vorm maar wat wil je? Het was een erg plotseling en impulsief verzoek van me geweest. En we waren ook buiten op een hotelterras. Hij speelde het op de een of andere manier klaar zijn kus wel wat vormelijk te houden maar haar en tegelijkertijd mij erin te laten zinderen.
Ik voel even mijn adem en mijn schouders schokken terwijl ik zijn lippen voel.
Het moment was groot, zo groot. Maar in klokkentijd zo snel voorbij. We glimlachten een beetje verlegen naar elkaar.
‘Zeg, ik was heus niet van plan….’
‘Eh, je moet niet denken dat….’
De twee zinnetjes worden door ons bijna tegelijk gesproken en we moeten er allebei hartelijk om lachen.
‘Nou, dat is dan ook weer duidelijk!’ zegt hij opgeruimd. ‘We zijn toch maar netjes opgevoede liegbeesten! Of zie ik dat verkeerd?’
Ik nam aan dat dat op de twee zinnetjes sloeg.
En daar is onze snelle samenspraak weer.
‘Meneer Ferrier…’
‘Mademoiselle eh… klopt dat? mademoiselle, of is het madame? Nee toch hoop ik?’
‘Het is mademoiselle.’
’Gelukkig maar, mademoiselle Rose….’
‘Oh ja, da’s waar! Je maakt er graag een achternaam van!’
‘Ja, maar dat komt omdat jij die van jou nog steeds niet aan me verteld hebt!’
‘Je komt die nog wel te weten.’
‘Wacht eens, je bent natuurlijk de kleindochter van de laatste Franse keizer of zo!
‘Nee, ik ben een Arabische prinses met Byzantijns bloed. En eigenlijk stam ik af van de feeën.’
‘Ja, dat dacht ik al. En jij komt uit een andere tijd, mademoiselle!’
‘Je bent een erg grappige man, monsieur Ferrier.’
‘On verra. We zullen zien. Weet je dat je ook in mijn hart woont?
‘Ja…..’ Ik zucht want het is waar. Hij ontroerde me al weer zo. Ik zeg:
’Ja, Claude, ik geloof dat ik dat weet. Heb het er maar even niet teveel over want anders ga ik, geloof ik, midden op dit terras heel erg huilen. Ik moest vanavond al huilen toen je opkwam en.. en j-jij dat was. Hoewel ik dat natuurlijk wist. Want je stond aangekondigd. Maar daar was je. En dat was heftig. En ik wil niet altijd huilen als het heftig wordt.’
‘Ik ook niet,’ zegt hij, ‘Maar ik ben wel een man die huilen kan. Alles op zijn tijd. Denk je dat het ondertussen middernacht is? Ik zie je vriendin nog niet ons besluipen maar ik denk dat ons halve uur voorbij is.’
’Oh, nu al? Jammer!’
‘Tja, maar dat waren je spelregels. Onze tijd is om.’
We maakten snel een nieuwe, losse afspraak voor morgen. Claude overnachtte in het hotel. Visitekaartjes, er iets op krabbelen en dan via de hotelreceptie, heel handig en snel. Ja, zo zouden we het doen.
Nu zit ik alleen op het terras. Daar komt Denise.



