EENS, TOEN DE mensen nog leefden van het gouden zonlicht en de kristallen bron, kwam een vrouw naar het dorp en vroeg: ‘Waar is Pyren? Ik ben Aelbrid en ik ben gekomen hem voor een gevaar te behoeden.’
Maar de mensen van het dorp schudden het hoofd en zeiden: ‘Pyren is niet hier. Hij is buiten op de velden en verzamelt daar het goud voor de donkere dagen. Ga hem daar zoeken, Aelbrid.’
Aelbrid liep het dorp uit de heuvels in en toen ze langs de zonovergoten velden kwam zag ze daar de boeren die bezig waren het goud te verzamelen.
Ze vroeg: ‘Waar is Pyren? Want ik ben Aelbrid en ben gekomen hem voor een gevaar te behoeden.’
Dat verwonderde de boeren en ze zeiden: ‘Pyren is niet hier. Hij is de bergen in gegaan en verzamelt nu het kristalheldere water van de sneeuwtoppen voor de donkere dagen. Ga hem daar zoeken Aelbrid.’
Aelbrid liep tot ze de bergen bereikte. En toen ze de fonkelende gletschers zag en de gemzen die op en neer sprongen vroeg ze aan hen: ‘Waar is Pyren? Weten jullie dat ik hem voor een gevaar moet behoeden?’
Maar de gemzen zeiden: ‘Pyren is hier niet, Aelbrid. Hij is verder gegaan, over de toppen van de bergen en zelfs wij weten niet wat hij zoekt.’
‘Hij is in gevaar.’ zei Aelbrid, ‘Ik zal hem vinden.’
‘Ga eerst naar de bron,’ zeiden de gemzen, ‘Waar hij het kristalheldere water verzameld heeft is hij verder gegaan. Misschien dat je dan de weg vindt.’
Aelbrid vervolgde haar weg en kwam bij de kristalheldere bron. Ze vond geen emmer staan maar Aelbrid zag een fijn spoor van fonkelende druppels, die wel op sterren leken. Dit spoor volgde zij verder de bergen in tot het oploste. Toen ze voor zich uitkeek zag ze slechts kale rotsen en in de verte een dorre hoogvlakte.
‘Daar zal Pyren zijn!’ zei ze.
Ze maakte zich op voor de lange tocht. Maar eerst sneed ze een tak van een hazelaar die bij de bron groeide Met het mes dat ze aan de gordel van haar gewaad droeg sneed ze een opening in de hemel en daardoor kwam de zon tevoorschijn en ze sneed ook de velden en de wolken. Ze sneed de bergen en ook de gemzen die huppelden langs de staf op een neer en riepen: ‘We komen met je mee, Aelbrid! We willen ook helpen zoeken.’
Toen borg Aelbrid het mes tussen de plooien van haar gewaad en met haar staf en de op en neer dartelende gemzen liep ze tot voorbij de grauwe stofdroge vlakte.
Verder en verder trok zij maar er was nog geen spoor van Pyren. Ze overnachtte in luwten van stekelige gewassen, ze trotseerde snijdende winden en wilde van honger noch dorst weten.
Op een dag versperde op een hoge bergpas een groot rotsblok haar de weg. Het was te groot en te zwaar om te verplaatsen. Maar Aelbrid hief haar zilveren stem aan en zong dat de gemzen langs haar staf hoog en snel opdansten. Het blok steen trilde maar bleef liggen. Wel rolden door het lied links en rechts van de pas de stenen naar beneden en verdwenen met geraas in ravijnen diep onder haar.
Aelbrid hief opnieuw aan en zong:
Toen de mensen nog in tuinen woonden
Was dit het land waarvan ik droomde
Pyren, kies je een weg van stenen?
Goud en kristallen zijn in de aarde verdwenen.
Toen ze dit gezongen had weerklonk van ver weg een huiverende zucht als van diep onder de grond en Aelbrid herkende in die zucht de stem van Pyren.
Andermaal hief Aelbrid aan en zong:
Laat mijn lied door duistere spelonken schallen.
Pyren, waar zijn je goud en je kristallen?
Wijs me je weg in de aarde koud
Naar sterrenkristal en zonnegoud!
En nu beefde de steen en spleet. De gemzen sprongen van haar staf, klommen langs het rotsblok en verdwenen in een opening. De tekens op Aelbrids staf glansden op en bij het licht ervan daalde ze af op de weg die de steen verborgen had gehouden.
Aelbrid daalde met vaste schreden en nadat een kromming in de weg ook het laatste daglicht had afgesloten vond ze tenslotte Pyren.
Hij zat bij de opgedroogde beek en in zijn handen hield hij nog een spoor stofgoud en een enkel gebroken kristal.
‘Pyren..’ zei Aelbrid en greep zijn handen.
Maar Pyren’s handen waren zonder kracht en zijn ogen zagen niets.
‘Pyren..’zei Aelbrid opnieuw en raakte zijn ogen aan, ‘Al het goud is op zijn plaats. En ook de kristallen schitteren in hun onderaardse gewelven. Het is goed nu. Kom mee!’
Maar Pyren hief enkel een klacht aan. En de toon was als de zang van de droevige hoorn. Bij het geluid ervan weken de gemzen angstig weg en het licht in Aelbrid’s staf doofde. En Pyren begon te spreken.
‘Ik moet hier blijven,’ zei hij, ‘Waar het goud is verzonken en de kristallen diep onder de aarde weggeborgen, daar moet ook Pyren zijn. Ga terug, Aelbrid!’
‘Het goud is uit de zon en de kristallen zijn uit regendruppels en sterren.’ zei Aelbrid, ‘Kom mee naar boven. Naar waar je thuishoort, Pyren.’
‘Ik kan niet.’zei hij, ‘Hier is de plaats van mijn hart. Het ligt nu begraven in deze grot. Ga terug Aelbrid!’
Toen sprongen de tranen in Aelbrids ogen en ook haar hart weende. Toen werd ze stil. Ze zweeg lange tijd.Ze nam haar gewaad en legde het af. Ze trad op Pyren toe, knielde naast hem neer, legde hem haar gewaad om en bedekte ook zijn hoofd en zijn ogen ermee. In zijn hand legde ze hem haar staf.
Toen stond ze naast hem.
‘Ga dan nu je weg, Pyren,’ zei ze. ‘Zie, ik heb je mijn gewaad en mijn staf gegeven. De gemzen zijn van me weg gesprongen. Ik heb nu niets meer. Ga je schreden, maar neem mij mee. Geef me je hand. Nu ga ik verder op jouw weg.’
Pyren gehoorzaamde. Samen in het duister liepen ze nu. Soms kwam het Aelbrid voor alsof ze dieper, alsmaar dieper afdaalden in dit donkere rijk van verborgen goud en kristallen . Ze voelde Pyren’s hand en hoorde de staf op de bodem tikken. Het licht bleef echter gedoofd en ze zag niets.
Maar Aelbrid voelde hoe de weg tenslotte in plaats van dieper te dalen licht begon te stijgen. En toen ze in de verte voor zich uit een flauw schijnsel ontwaarde, glimlachte ze.
‘Naderen we het hart van je nieuwe rijk?’ vroeg ze.
‘Ik weet het niet.’ antwoordde Pyren, ‘Mijn voeten lopen wegen die ze niet eerder zijn gegaan. En toch weten ze, waarheen zich te richten. Er is wijsheid in je staf. En ik voel de warmte van je hand. Het is goed dat je hier bent, Aelbrid.’
Nu werd voor Aelbrid vaag een pad zichtbaar. Ze zag dat het naar boven leidde. Pyren was dicht gehuld in het gewaad maar hij liep toch zeker en volgde dit pad. Na een kromming stonden ze ineens buiten.’
‘Hier is het.’ zei Pyren.
‘Wacht,’ zei Aelbrid, ‘houd nog even mijn gewaad om je.’
En zelf zag ze tot haar verrassing dat ze niet ver van het dorp waren, waar Aelbrid haar zoektocht begonnen was.
‘Zeg mij eerst: kun je hier blijven?’ vroeg ze.
‘Goudglans en kristalpracht zijn verborgen voor mijn ogen.’ zei Pyren. ‘Ze zijn als tevoren in nacht gehuld. Maar toch voel ik ineens dat ik ze in me draag. Ja, ik kan hier blijven!’
Maar reeds kwamen de dorpelingen aangelopen. Met kreten van verwondering begroetten ze Aelbrid. En ze herkenden in de haveloze gestalte met de vreemde omhulling de zoekgeraakte Pyren. Een van de vrouwen trad naderbij en wilde Aelbrid al een nieuw gewaad aanreiken. Maar Aelbrid lachte op.
‘Niet nodig!’ riep zij. Ze maakte haar lange haren los en ze stroomden langs haar lichaam. Ze legde ze om zich als een zilveren gewaad. Pyren voelde verwonderd de zachte wind op zijn gezicht, hij hoorde de geluiden van vogels, hij rook bloemengeuren en voelde de zachte aarde waarop hij stond. Maar hij zag nog altijd niets.
Aelbrid nam hem opnieuw bij de hand en nu geleidde zij hem.
‘Ik kan alleen nog maar van binnen kijken!’ riep hij toen verrast uit.
Nu kwamen een paar boeren aangesneld. Toen ze Aelbrid en Pyren zagen hieven ze de handen boven het hoofd en riepen: ‘Er is een groot ongeluk gebeurd! Het goud is van onze weiden verdwenen en de bron geeft geen kristallen water meer! Waar is het goud, waar zijn de kristallen, Pyren?’
‘Waar zijn ze gebleven, Pyren?’ vroeg Aelbrid zacht, ‘Toe maar, vertel het ze!’
‘Er is een nieuwe tijd gekomen!’ sprak Pyren, ‘Goud en kristallen zijn er als tevoren. Ik zie ze omdat ik van binnen kijk. Jullie zien ze niet meer omdat jullie van buiten kijken. Aelbrid kent het geheim. Maar laat nu de regens komen dan zal er gras groeien. En de velden zullen weiden worden. Laat er koeien op grazen en ze zullen melk geven. En zaai graan dat tot goud wordt wanneer het zal opgroeien op de akkers.’
En sinds die tijd verbouwen de boeren graan en grazen er koeien op de weiden en leven de mensen van wat het land opbrengt.
Pyren bleef blind. Maar hij werd alom geloofd en geprezen om zijn gouden hart en zijn kristalheldere wijsheid. En was zijn hart soms verdrietig omdat hij het groene gras en de koeien erop niet kon zien en de regenboog met haar kleuren miste, en de vlucht van ganzen, dan kwam Aelbrid en zong voor hem totdat hij alles van binnen zag.
En ook haar gemzen zag hij dan huppelen en springen.
©Nina Rosewood All rights reserved
←back home




